BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 56
Pandhuiswet 1910
1. Particuliere banken van leening kunnen gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze wet worden gehouden zonder de in art. 13gevorderde toelating.
2. Het bepaalde in de artt. 17-20, 23-36, 38, 39, 46en 47blijft gedurende dien termijn buiten toepassing; houders van banken van leening zijn eerst na afloop van dien termijn met inachtneming van het bepaalde in art. 37, tweede lid, gehouden tot naleving van een besluit, te voren vastgesteld op grond van art. 37, eerste lid, letter b, c, d, e of f.
2. Het bepaalde in de artt. 17-20, 23-36, 38, 39, 46en 47blijft gedurende dien termijn buiten toepassing; houders van banken van leening zijn eerst na afloop van dien termijn met inachtneming van het bepaalde in art. 37, tweede lid, gehouden tot naleving van een besluit, te voren vastgesteld op grond van art. 37, eerste lid, letter b, c, d, e of f.