BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 12
Pandhuiswet 1910
1. Het pand strekt tot zekerheid uitsluitend van de schuld, voor welke het is verbonden en kan zonder toestemming van den pandgever niet strekken tot zekerheid van een andere schuld.
2. Het pandbewijs geeft, behoudens in het geval, bedoeld in art. 11, recht de lossing van het pand te vorderen tegen betaling van de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is.
3. Indien ter lossing van het pand volstaan wordt met de enkele afgifte van kwijting, blijft de bank gedurende zes maanden na de lossing van het pand tot het bedrag van de geschatte waarde voor het pand aansprakelijk jegens de rechtmatige houder van het pandbewijs.
2. Het pandbewijs geeft, behoudens in het geval, bedoeld in art. 11, recht de lossing van het pand te vorderen tegen betaling van de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is.
3. Indien ter lossing van het pand volstaan wordt met de enkele afgifte van kwijting, blijft de bank gedurende zes maanden na de lossing van het pand tot het bedrag van de geschatte waarde voor het pand aansprakelijk jegens de rechtmatige houder van het pandbewijs.