BWBR0001880
Geldig vanaf 01-01-1992
Artikel 46
Pandhuiswet 1910
1. Het bepaalde in de artt. 42 en 44 is mede van toepassing indien de houder van een bank van leening insolvent verklaard of onder curateele gesteld is, met dien verstande, dat de in art. 42 voorgeschreven bekendmaking en afkondiging en verwijdering van de borden door den curator wordt verricht en dat de lossing van panden geschiedt bij en de openbare verkoop door den curator.
2. Hetgeen de opbrengst der door den curator en der vóór het vervallen van de toelating verkochte panden meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, wordt voor ieder pand in een nieuwsblad bekend gemaakt en blijft gedurende zes maanden ter beschikking van de pandgevers. Indien evenwel hetgeen ter beschikking van de pandgevers blijft ter zake van vóór het vervallen van de toelating verkochte panden niet toereikend is om aan de rechthebbenden het hun toekomende uit te keeren, wordt het beschikbare bedrag naar evenredigheid van ieders vordering onder hen verdeeld.
3. Hetgeen binnen den in het tweede lid bepaalden termijn niet is opgevorderd, vervalt aan den boedel.
2. Hetgeen de opbrengst der door den curator en der vóór het vervallen van de toelating verkochte panden meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, wordt voor ieder pand in een nieuwsblad bekend gemaakt en blijft gedurende zes maanden ter beschikking van de pandgevers. Indien evenwel hetgeen ter beschikking van de pandgevers blijft ter zake van vóór het vervallen van de toelating verkochte panden niet toereikend is om aan de rechthebbenden het hun toekomende uit te keeren, wordt het beschikbare bedrag naar evenredigheid van ieders vordering onder hen verdeeld.
3. Hetgeen binnen den in het tweede lid bepaalden termijn niet is opgevorderd, vervalt aan den boedel.
- Wet
- Pandhuiswet 1910
- Citeren als
- Art. 46
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001880
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl