BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 20
Pandhuiswet 1910
Het pandbewijs houdt in:
a. het nummer van het pand;
b. een omschrijving van het pand, het bedrag van de geschatte waarde en de beleensom;
c. den datum der beleening;
d. den termijn, na welken, gerekend van den dag der beleening, het pand, indien het niet gelost is, verkocht kan worden;
e. de vermelding, dat hetgeen het pand bij verkoop meer heeft opgebracht dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, door den rechthebbende gedurende twaalf maanden na den verkoop kan worden opgevorderd.
a. het nummer van het pand;
b. een omschrijving van het pand, het bedrag van de geschatte waarde en de beleensom;
c. den datum der beleening;
d. den termijn, na welken, gerekend van den dag der beleening, het pand, indien het niet gelost is, verkocht kan worden;
e. de vermelding, dat hetgeen het pand bij verkoop meer heeft opgebracht dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, door den rechthebbende gedurende twaalf maanden na den verkoop kan worden opgevorderd.