BWBR0001898
Geldig vanaf 01-07-2009
Artikel 14
Tramwegreglement
1. Het is verboden langs de niet op openbare wegen aangelegde gedeelten van tramwegen een gebouw, muur, schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp op te richten of boomen of houtgewas te planten:
a. binnen den afstand van 5 M. uit de as van het meest nabijgelegen spoor, zoowel op de rechte baan als langs de buitenzijde van den boog, waar de tramweg in gebogen richting is aangelegd;
b. binnen den afstand van 10 M. uit die as langs de binnenzijde van den boog, waar de tramweg in gebogen richting is aangelegd;
c. binnen den afstand van 10 M. uit die as over eene lengte van 25 M. wederzijds van en gemeten uit het midden van openbare wegen, die den tramweg kruisen.
2. Het is verboden langs de niet op openbare wegen aangelegde gedeelten van tramwegen binnen den afstand van 10 M. uit de as van het meest nabijgelegen spoor riet- of stroodaken te plaatsen, licht ontvlambare stoffen neer te leggen, of binnen dien afstand ontgravingen te verrichten.
3. De Minister kan van het bepaalde in het eerste en tweede lid ontheffing verleenen, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den tramweg kan geschieden.
4. Hetgeen vòòr het in werking treden van dit reglement binnen de in het eerste en in het tweede lid bepaalde afstanden is opgericht, geplaatst, neergelegd of gegraven, wordt, zoo de openbare veiligheid het vordert, tegen voorafgaande schadeloosstelling op last van den Minister door en voor rekening van bestuurders weggenomen of gedicht. De schadeloosstelling wordt bij gebreke van minnelijke schikking door den rechter bepaald.
a. binnen den afstand van 5 M. uit de as van het meest nabijgelegen spoor, zoowel op de rechte baan als langs de buitenzijde van den boog, waar de tramweg in gebogen richting is aangelegd;
b. binnen den afstand van 10 M. uit die as langs de binnenzijde van den boog, waar de tramweg in gebogen richting is aangelegd;
c. binnen den afstand van 10 M. uit die as over eene lengte van 25 M. wederzijds van en gemeten uit het midden van openbare wegen, die den tramweg kruisen.
2. Het is verboden langs de niet op openbare wegen aangelegde gedeelten van tramwegen binnen den afstand van 10 M. uit de as van het meest nabijgelegen spoor riet- of stroodaken te plaatsen, licht ontvlambare stoffen neer te leggen, of binnen dien afstand ontgravingen te verrichten.
3. De Minister kan van het bepaalde in het eerste en tweede lid ontheffing verleenen, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den tramweg kan geschieden.
4. Hetgeen vòòr het in werking treden van dit reglement binnen de in het eerste en in het tweede lid bepaalde afstanden is opgericht, geplaatst, neergelegd of gegraven, wordt, zoo de openbare veiligheid het vordert, tegen voorafgaande schadeloosstelling op last van den Minister door en voor rekening van bestuurders weggenomen of gedicht. De schadeloosstelling wordt bij gebreke van minnelijke schikking door den rechter bepaald.
- Wet
- Tramwegreglement
- Citeren als
- Art. 14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001898
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl