BWBR0001898
Geldig vanaf 01-10-1997
Artikel 26
Tramwegreglement
1. Indien eenige beproeving of eenig onderzoek na de indienststelling onvoldoende uitkomsten heeft opgeleverd, mag de stoomketel niet weer in gebruik worden genomen, dan nadat de door de Minister noodig geachte voorzieningen zijn aangebracht.
2. Blijkt uit zoodanige beproeving of zoodanig onderzoek, dat de stoomketel van een trekvoertuig niet meer onder de vroeger toegelaten hoogste stoomdrukking veilig werken kan, zoo wordt door de Minister aan bestuurders de keus gelaten de door den Raad noodig geachte voorzieningen aan te brengen, of wel de ketel voortaan met aanwending van eene op te geven lagere drukking te gebruiken. In het laatste geval wordt de vroeger voor het trekvoertuig, waarop de ketel gebruikt wordt, verleende akte van vergunning door eene nieuwe vervangen.
2. Blijkt uit zoodanige beproeving of zoodanig onderzoek, dat de stoomketel van een trekvoertuig niet meer onder de vroeger toegelaten hoogste stoomdrukking veilig werken kan, zoo wordt door de Minister aan bestuurders de keus gelaten de door den Raad noodig geachte voorzieningen aan te brengen, of wel de ketel voortaan met aanwending van eene op te geven lagere drukking te gebruiken. In het laatste geval wordt de vroeger voor het trekvoertuig, waarop de ketel gebruikt wordt, verleende akte van vergunning door eene nieuwe vervangen.
- Wet
- Tramwegreglement
- Citeren als
- Art. 26
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0001898
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl