BWBR0002375
Geldig vanaf 2000-04-03
Artikel 56b
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit inzake goedkeuring van een bestemmingsplan, de uitwerking of wijziging of de herziening of intrekking daarvan of met betrekking tot een besluit tot uitwerking of wijziging als bedoeld in artikel 11, zevende lid, bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist. Bij toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op welke onderdelen van het plan de voorlopige voorziening betrekking heeft.
2. In geval van samenloop van een aanwijzing ingevolge artikel 37met een aanwijzing ingevolge artikel 26 van de Luchtvaartwetof artikel 15 van de Tracéwetbegint de termijn van een jaar na afloop van de in artikel 38, tweede lid, onder a, b of c, bedoelde termijn voor Onze Minister of voor gedeputeerde staten te lopen met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing krachtens de Luchtvaartwet, de Tracéwetof de Ontgrondingenwetafloopt. Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van de aanwijzing ingevolge artikel 37opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
3. Indien tegen het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 40beroep is ingesteld en binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, begint de in artikel 40a, eerste lid, bedoelde termijn te lopen zodra dat verzoek is afgewezen.
2. In geval van samenloop van een aanwijzing ingevolge artikel 37met een aanwijzing ingevolge artikel 26 van de Luchtvaartwetof artikel 15 van de Tracéwetbegint de termijn van een jaar na afloop van de in artikel 38, tweede lid, onder a, b of c, bedoelde termijn voor Onze Minister of voor gedeputeerde staten te lopen met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing krachtens de Luchtvaartwet, de Tracéwetof de Ontgrondingenwetafloopt. Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van de aanwijzing ingevolge artikel 37opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
3. Indien tegen het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 40beroep is ingesteld en binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, begint de in artikel 40a, eerste lid, bedoelde termijn te lopen zodra dat verzoek is afgewezen.