BWBR0005494
Geldig vanaf 1992-05-31
Artikel 25
Reglement rechtstoestand tewerkgestelden
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder eigen huishouding verstaan: het door de tewerkgestelde bewonen van een zelfstandige, volwaardige woonruimte met een eigen inboedel (waaronder meubilair en keukenuitrusting), waarin de hoofdfuncties (wonen, slapen en keuken) elk een duidelijke plaats hebben, een en ander ter beoordeling van de minister.
2. De tewerkgestelde aan wie huisvesting en voeding van rijkswege is verstrekt, heeft recht op vergoeding van reiskosten:
a. indien hij een levenspartner heeft: voor een wekelijkse reis van zijn woonadres naar de vaste woonplaats van zijn gezin, mits deze zich in Nederland bevindt, en terug;
b. indien hij geen levenspartner heeft, maar wel vóór de aanvang van de tewerkstelling dan wel overplaatsing naar een andere dienst een eigen huishouding voerde en nog voert: voor een wekelijkse reis van zijn woonadres naar de plaats waar zijn eigen huishouding is gevestigd, mits deze zich in Nederland bevindt, en terug;
c. in de overige gevallen: voor een tweewekelijkse reis van zijn woonadres naar de vaste woonplaats van het gezin waartoe hij behoort, dan wel de plaats waar zijn eigen huishouding is gevestigd, mits deze zich in Nederland bevindt, en terug.
3. Indien het gezin bedoeld in het tweede lid onder a), onderscheidenlijk onder c), vaste woonplaats heeft, dan wel de eigen huishouding is gevestigd, in een plaats buiten Nederland, doch binnen Europa, vindt het bepaalde in het tweede lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat slechts wordt vergoed het gedeelte van de reis, dat ligt tussen de plaats van tewerkstelling en het te passeren grensstation, en terug. Indien het gezin daar reeds vaste woonplaats had, dan wel de eigen huishouding daar reeds was gevestigd, voor de aanvang van de tewerkstelling dan wel overplaatsing naar een andere dienst wordt bovendien eenmaal per 4 weken vergoed het gedeelte van de reis, dat ligt tussen het te passeren grensstation en de vaste woonplaats van het gezin, dan wel de plaats waar de eigen huishouding is gevestigd, en terug.
4. Indien het gezin, bedoeld in het tweede en derde lid, tijdelijk niet verblijft in de vaste woonplaats, wordt de vergoeding verleend voor het reizen van het woonadres naar de tijdelijke verblijfplaats van het gezin en terug, met dien verstande dat het bedrag van de vergoeding niet hoger kan zijn dan de bedragen, welke worden verkregen met toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid.
5. De tewerkgestelde heeft geen recht op vergoeding:
a. voor reizen die hij maakt in een periode, gedurende welke hij ingevolge artikel 5, tweede lid, geen recht heeft op zakgeld, dan wel een vrijheidsstraf, voorlopige hechtenis of gijzeling ondergaat;
b. indien hij voor het bereiken van de plaats van bestemming de grens van de gemeente waarin zijn woonadres is gelegen, niet behoeft te overschrijden.
6. Het recht op vergoeding vervalt:
a. ten aanzien van de reizen bedoeld in het tweede lid: indien de tewerkgestelde de reis niet aanvaagt binnen één week nadat hij deze, naar het oordeel van de minister, redelijkerwijze had kunnen aanvangen;
b. ten aanzien van de reizen bedoeld in het derde lid: indien de tewerkgestelde de reis niet aanvangt binnen 2 weken nadat hij deze, naar het oordeel van de minister, redelijkerwijze had kunnen aanvangen.
2. De tewerkgestelde aan wie huisvesting en voeding van rijkswege is verstrekt, heeft recht op vergoeding van reiskosten:
a. indien hij een levenspartner heeft: voor een wekelijkse reis van zijn woonadres naar de vaste woonplaats van zijn gezin, mits deze zich in Nederland bevindt, en terug;
b. indien hij geen levenspartner heeft, maar wel vóór de aanvang van de tewerkstelling dan wel overplaatsing naar een andere dienst een eigen huishouding voerde en nog voert: voor een wekelijkse reis van zijn woonadres naar de plaats waar zijn eigen huishouding is gevestigd, mits deze zich in Nederland bevindt, en terug;
c. in de overige gevallen: voor een tweewekelijkse reis van zijn woonadres naar de vaste woonplaats van het gezin waartoe hij behoort, dan wel de plaats waar zijn eigen huishouding is gevestigd, mits deze zich in Nederland bevindt, en terug.
3. Indien het gezin bedoeld in het tweede lid onder a), onderscheidenlijk onder c), vaste woonplaats heeft, dan wel de eigen huishouding is gevestigd, in een plaats buiten Nederland, doch binnen Europa, vindt het bepaalde in het tweede lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat slechts wordt vergoed het gedeelte van de reis, dat ligt tussen de plaats van tewerkstelling en het te passeren grensstation, en terug. Indien het gezin daar reeds vaste woonplaats had, dan wel de eigen huishouding daar reeds was gevestigd, voor de aanvang van de tewerkstelling dan wel overplaatsing naar een andere dienst wordt bovendien eenmaal per 4 weken vergoed het gedeelte van de reis, dat ligt tussen het te passeren grensstation en de vaste woonplaats van het gezin, dan wel de plaats waar de eigen huishouding is gevestigd, en terug.
4. Indien het gezin, bedoeld in het tweede en derde lid, tijdelijk niet verblijft in de vaste woonplaats, wordt de vergoeding verleend voor het reizen van het woonadres naar de tijdelijke verblijfplaats van het gezin en terug, met dien verstande dat het bedrag van de vergoeding niet hoger kan zijn dan de bedragen, welke worden verkregen met toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid.
5. De tewerkgestelde heeft geen recht op vergoeding:
a. voor reizen die hij maakt in een periode, gedurende welke hij ingevolge artikel 5, tweede lid, geen recht heeft op zakgeld, dan wel een vrijheidsstraf, voorlopige hechtenis of gijzeling ondergaat;
b. indien hij voor het bereiken van de plaats van bestemming de grens van de gemeente waarin zijn woonadres is gelegen, niet behoeft te overschrijden.
6. Het recht op vergoeding vervalt:
a. ten aanzien van de reizen bedoeld in het tweede lid: indien de tewerkgestelde de reis niet aanvaagt binnen één week nadat hij deze, naar het oordeel van de minister, redelijkerwijze had kunnen aanvangen;
b. ten aanzien van de reizen bedoeld in het derde lid: indien de tewerkgestelde de reis niet aanvangt binnen 2 weken nadat hij deze, naar het oordeel van de minister, redelijkerwijze had kunnen aanvangen.