BWBR0005494
Geldig vanaf 1992-05-31
Artikel 55
Reglement rechtstoestand tewerkgestelden
1. Na het overlijden van de tewerkgestelde wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het zakgeld waarop de tewerkgestelde op de dag van zijn overlijden recht had, vermeerderd met 8% en berekend over een tijdvak van drie maanden:
a. aan zijn levenspartner, tenzij zij duurzaam gescheiden leefden;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde levenspartner: ten behoeve van de minderjarige wettelijke of natuurlijke kinderen van overledene, of minderjarige kinderen, waarvoor de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde betrekkingen: ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van de overledene, voor wie hij kostwinner was.
2. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste lid nalaat, kan de minister het bedrag geheel of gedeeltelijk doen aanwenden voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
3. Op de uitkering worden ingehouden:
a. De eventueel aan de overledene teveel betaalde en nog niet terugbetaalde zakgeldbedragen;
b. De eventueel aan de overledene opgelegde en nog openstaande geldboetes, als bedoeld in artikel 31 van de Wet;
c. De eventueel aan de overledene ingevolge artikel 31 van de regeling verleende en nog niet terugbetaalde voorschotten.
a. aan zijn levenspartner, tenzij zij duurzaam gescheiden leefden;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde levenspartner: ten behoeve van de minderjarige wettelijke of natuurlijke kinderen van overledene, of minderjarige kinderen, waarvoor de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde betrekkingen: ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van de overledene, voor wie hij kostwinner was.
2. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste lid nalaat, kan de minister het bedrag geheel of gedeeltelijk doen aanwenden voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
3. Op de uitkering worden ingehouden:
a. De eventueel aan de overledene teveel betaalde en nog niet terugbetaalde zakgeldbedragen;
b. De eventueel aan de overledene opgelegde en nog openstaande geldboetes, als bedoeld in artikel 31 van de Wet;
c. De eventueel aan de overledene ingevolge artikel 31 van de regeling verleende en nog niet terugbetaalde voorschotten.