BWBR0005494
Geldig vanaf 1992-05-31
Artikel 59
Reglement rechtstoestand tewerkgestelden
1. Indien het hoofd van dienst voornemens is een tewerkstelling te beëindigen, deelt hij dit voornemen onder opgaaf van redenen schriftelijk mede aan de tewerkgestelde en de directie TEGMD.
2. Nadat de directie TEGMD een schriftelijke mededeling als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, stelt deze directie onverwijld een onderzoek in, waarbij zowel de tewerkgestelde als het hoofd van dienst wordt gehoord. De tewerkgestelde kan zich in elk stadium van het onderzoek doen bijstaan door een vertrouwenspersoon.
3. Indien de minister na onderzoek van oordeel is, dat de voorgenomen beëindiging op redelijke gronden berust, deelt hij dit schriftelijk mede aan het hoofd van dienst en aan de tewerkgestelde. De tewerkstelling kan dan worden beëindigd door het hoofd van dienst onder gelijktijdige schriftelijke mededeling van die beëindiging aan de tewerkgestelde en aan de directie TEGMD en wel binnen twee weken na de datum waarop hij van het oordeel van de minister in kennis is gesteld.
4. Indien de minister na onderzoek van oordeel is, dat de voorgenomen beëindiging niet op redelijke gronden berust, deelt hij dit schriftelijk mede aan het hoofd van dienst en aan de tewerkgestelde. De tewerkstelling wordt dan niet beëindigd.
2. Nadat de directie TEGMD een schriftelijke mededeling als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, stelt deze directie onverwijld een onderzoek in, waarbij zowel de tewerkgestelde als het hoofd van dienst wordt gehoord. De tewerkgestelde kan zich in elk stadium van het onderzoek doen bijstaan door een vertrouwenspersoon.
3. Indien de minister na onderzoek van oordeel is, dat de voorgenomen beëindiging op redelijke gronden berust, deelt hij dit schriftelijk mede aan het hoofd van dienst en aan de tewerkgestelde. De tewerkstelling kan dan worden beëindigd door het hoofd van dienst onder gelijktijdige schriftelijke mededeling van die beëindiging aan de tewerkgestelde en aan de directie TEGMD en wel binnen twee weken na de datum waarop hij van het oordeel van de minister in kennis is gesteld.
4. Indien de minister na onderzoek van oordeel is, dat de voorgenomen beëindiging niet op redelijke gronden berust, deelt hij dit schriftelijk mede aan het hoofd van dienst en aan de tewerkgestelde. De tewerkstelling wordt dan niet beëindigd.