BWBR0005494
Geldig vanaf 1992-05-31
Artikel 43
Reglement rechtstoestand tewerkgestelden
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
2. Aan de tewerkgestelde kan, op verzoek, door de minister buitengewoon verlof worden verleend voor:
a. het leiden of volgen van een cursus gericht op vrijwilligers die zich bezighouden met jeugd- en jongerenwerk;
b. het als vrijwilliger leiden van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit als hoofdleider;
c. het assisteren van de hoofdleider van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit op basis van één vrijwilliger op elke 15 deelnemers, dan wel één vrijwilliger op elke 3 deelnemers, indien het een kamp of vakantie-activiteit voor lichamelijk of geestelijk gehandicapte jeugd en jongeren betreft.
Voor de onder c, bedoelde gevallen kan alleen buitengewoon verlof worden verleend, indien de aanwezigheid voor het welslagen van het kamp of vakantie-activiteit dringend gewenst is en geen andere persoon beschikbaar is.
3. Het buitengewoon verlof wordt verleend door de minister voor ten hoogste 5 dagen per geval en voor in totaal ten hoogste 10 dagen gedurende de tewerkstelling.
4. Een cursus als bedoeld in het tweede lid onder a, moet uitgaan van een landelijke of provinciale organisatie voor jeugd- en jongerenwerk of van een landelijke of provinciale jeugd- en jongerenafdeling van een sportorganisatie, dan wel door een dergelijke organisatie worden aanbevolen als belangrijk voor de vorming van vrijwilligers.
5. Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit moet uitgaan van een sportorganisatie voor jeugd en jongeren, of worden georganiseerd door een instelling, die geheel of gedeeltelijk ten behoeve van jeugd en jongeren werkzaam is.
6. Bij de aanvraag dient de tewerkgestelde een verklaring te overleggen van de organiserende instelling waaruit blijkt dat die instelling de aanvraag ondersteunt.
2. Aan de tewerkgestelde kan, op verzoek, door de minister buitengewoon verlof worden verleend voor:
a. het leiden of volgen van een cursus gericht op vrijwilligers die zich bezighouden met jeugd- en jongerenwerk;
b. het als vrijwilliger leiden van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit als hoofdleider;
c. het assisteren van de hoofdleider van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit op basis van één vrijwilliger op elke 15 deelnemers, dan wel één vrijwilliger op elke 3 deelnemers, indien het een kamp of vakantie-activiteit voor lichamelijk of geestelijk gehandicapte jeugd en jongeren betreft.
Voor de onder c, bedoelde gevallen kan alleen buitengewoon verlof worden verleend, indien de aanwezigheid voor het welslagen van het kamp of vakantie-activiteit dringend gewenst is en geen andere persoon beschikbaar is.
3. Het buitengewoon verlof wordt verleend door de minister voor ten hoogste 5 dagen per geval en voor in totaal ten hoogste 10 dagen gedurende de tewerkstelling.
4. Een cursus als bedoeld in het tweede lid onder a, moet uitgaan van een landelijke of provinciale organisatie voor jeugd- en jongerenwerk of van een landelijke of provinciale jeugd- en jongerenafdeling van een sportorganisatie, dan wel door een dergelijke organisatie worden aanbevolen als belangrijk voor de vorming van vrijwilligers.
5. Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit moet uitgaan van een sportorganisatie voor jeugd en jongeren, of worden georganiseerd door een instelling, die geheel of gedeeltelijk ten behoeve van jeugd en jongeren werkzaam is.
6. Bij de aanvraag dient de tewerkgestelde een verklaring te overleggen van de organiserende instelling waaruit blijkt dat die instelling de aanvraag ondersteunt.