BWBR0005494
Geldig vanaf 1992-05-31
Artikel 5
Reglement rechtstoestand tewerkgestelden
1. Het bedrag van het zakgeld waarop de tewerkgestelde ingevolge artikel 43 van het besluitrecht heeft, is gelijk aan het bedrag van de wedde eerste oefening, zoals deze is vastgesteld voor dienstplichtige soldaten.
2. De tewerkgestelde heeft geen recht op zakgeld:
a. over de dagen waarop hij ongeoorloofd afwezig is;
b. over de dagen waarop hij in het genot is van buitengewoon verlof buiten bezwaar van 's rijks schatkist.
3. De tewerkgestelde die een vrijheidsstraf, voorlopige hechtenis of gijzeling ondergaat, behoudt gedurende de eerste 6 weken recht op tweederde gedeelte van zijn zakgeld. Na 6 weken verleent de minister de tewerkgestelde, met toepassing van artikel 23, eerste lid, van de wet, uitstel van het onvervuld gedeelte van de tewerkstelling.
4. De tewerkgestelde op wie het bepaalde in het derde lid toepassing heeft gevonden, wordt hersteld in zijn recht op zakgeld, indien ter zake van het feit in verband waarmee hij voorlopige hechtenis heeft ondergaan:
a. geen veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf volgt: over de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis, met een maximum van 6 weken;
b. veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf volgt, bij de tenuitvoerlegging waarvan de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht: voor de duur waarmee de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis, die van de vrijheidsstraf overtreft, met een maximum van 6 weken.
5. Het zakgeld wordt maandelijks gestort op een door de tewerkgestelde op te geven bank- of giro-rekening. De tewerkgestelde ontvangt een schriftelijke opgave van het zakgeld-bedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld, en van de bedragen die op het zakgeld-bedrag zijn ingehouden, tenzij zich ten opzichte van de voorafgaande uitbetaling in geen van de bedragen een wijziging heeft voorgedaan. Aan het eind van ieder kalenderjaar wordt de tewerkgestelde een overzicht verstrekt van het totale door hem over dat kalenderjaar genoten zakgeld.
6. Voor de berekening van het zakgeld over een gedeelte van een maand wordt de maand op 30 dagen gesteld.
2. De tewerkgestelde heeft geen recht op zakgeld:
a. over de dagen waarop hij ongeoorloofd afwezig is;
b. over de dagen waarop hij in het genot is van buitengewoon verlof buiten bezwaar van 's rijks schatkist.
3. De tewerkgestelde die een vrijheidsstraf, voorlopige hechtenis of gijzeling ondergaat, behoudt gedurende de eerste 6 weken recht op tweederde gedeelte van zijn zakgeld. Na 6 weken verleent de minister de tewerkgestelde, met toepassing van artikel 23, eerste lid, van de wet, uitstel van het onvervuld gedeelte van de tewerkstelling.
4. De tewerkgestelde op wie het bepaalde in het derde lid toepassing heeft gevonden, wordt hersteld in zijn recht op zakgeld, indien ter zake van het feit in verband waarmee hij voorlopige hechtenis heeft ondergaan:
a. geen veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf volgt: over de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis, met een maximum van 6 weken;
b. veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf volgt, bij de tenuitvoerlegging waarvan de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht: voor de duur waarmee de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis, die van de vrijheidsstraf overtreft, met een maximum van 6 weken.
5. Het zakgeld wordt maandelijks gestort op een door de tewerkgestelde op te geven bank- of giro-rekening. De tewerkgestelde ontvangt een schriftelijke opgave van het zakgeld-bedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld, en van de bedragen die op het zakgeld-bedrag zijn ingehouden, tenzij zich ten opzichte van de voorafgaande uitbetaling in geen van de bedragen een wijziging heeft voorgedaan. Aan het eind van ieder kalenderjaar wordt de tewerkgestelde een overzicht verstrekt van het totale door hem over dat kalenderjaar genoten zakgeld.
6. Voor de berekening van het zakgeld over een gedeelte van een maand wordt de maand op 30 dagen gesteld.