BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.10.16
Regeling permanente eisen
1. Lijn- en contourmarkering dienen op de volgende wijze te zijn geïnstalleerd:
de markering mag ononderbroken of onderbroken worden aangebracht, in geval van onderbroken markering mag de afstand tussen de afzonderlijke delen niet groter zijn dan 50% van de lengte van het kortste deel;
de afstand tussen de markering aan de achterzijde van het voertuig en de verplichte remlichten moet minimaal 200 mm bedragen.
2. Lijnmarkering dient voorts:
parallel of zo veel mogelijk parallel aan het wegdek te worden aangebracht en ten minste 80% van de totale lengte of breedte van het voertuig weer te geven;
op een hoogte van minimaal 250 mm en maximaal 1500 mm boven het wegdek te zijn aangebracht, dan wel, indien dit in verband met de constructie van het voertuig niet anders mogelijk is, maximaal 2100 mm boven het wegdek te zijn aangebracht.
3. Contourmarkering dient voorts: a. zoveel mogelijk de totale omtrek van het voertuig weer te geven; d. waar het betreft de onderste lijn van de markering op een hoogte van minimaal 250 mm en maximaal 1500 mm boven het wegdek te zijn aangebracht.
de markering mag ononderbroken of onderbroken worden aangebracht, in geval van onderbroken markering mag de afstand tussen de afzonderlijke delen niet groter zijn dan 50% van de lengte van het kortste deel;
de afstand tussen de markering aan de achterzijde van het voertuig en de verplichte remlichten moet minimaal 200 mm bedragen.
2. Lijnmarkering dient voorts:
parallel of zo veel mogelijk parallel aan het wegdek te worden aangebracht en ten minste 80% van de totale lengte of breedte van het voertuig weer te geven;
op een hoogte van minimaal 250 mm en maximaal 1500 mm boven het wegdek te zijn aangebracht, dan wel, indien dit in verband met de constructie van het voertuig niet anders mogelijk is, maximaal 2100 mm boven het wegdek te zijn aangebracht.
3. Contourmarkering dient voorts: a. zoveel mogelijk de totale omtrek van het voertuig weer te geven; d. waar het betreft de onderste lijn van de markering op een hoogte van minimaal 250 mm en maximaal 1500 mm boven het wegdek te zijn aangebracht.