BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.11.3
Regeling permanente eisen
1. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen zoals weergegeven in figuur 32, moet de koppelingspen respectievelijk de koppelingsplaat voldoen aan de volgende eisen:
de inwendige diameter van de koppelingspen mag niet meer dan 112 mm bedragen;
binnen een cirkel met een straal van 0,26 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen mag: 1°. de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 2,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 33 en 34;
2°. in de koppelingsplaat geen deuk voorkomen;
3°. de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
1°. de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 2,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 33 en 34;
2°. in de koppelingsplaat geen deuk voorkomen;
3°. de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
2. Het eerste lid geldt niet voor de van fabriekswege aangebrachte gaten zoals ontwateringsgaten.
de inwendige diameter van de koppelingspen mag niet meer dan 112 mm bedragen;
binnen een cirkel met een straal van 0,26 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen mag: 1°. de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 2,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 33 en 34;
2°. in de koppelingsplaat geen deuk voorkomen;
3°. de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
1°. de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 2,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 33 en 34;
2°. in de koppelingsplaat geen deuk voorkomen;
3°. de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
2. Het eerste lid geldt niet voor de van fabriekswege aangebrachte gaten zoals ontwateringsgaten.