BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.9.30
Regeling permanente eisen
1. De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
door middel van visuele controle, en
door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: 1°. het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
2°. alle wielen zijn in de stand van rechtuitrijden geplaatst;
3°. de banden zijn op de juiste spanning;
4°. indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand.
1°. het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
2°. alle wielen zijn in de stand van rechtuitrijden geplaatst;
3°. de banden zijn op de juiste spanning;
4°. indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand.
2. Bij de bepaling van de maximale onderbreking, als bedoeld in artikel 2.9.28, wordt een extra onderbreking ten gevolge van het uitschuiven van het voertuig buiten beschouwing gelaten.
door middel van visuele controle, en
door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: 1°. het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
2°. alle wielen zijn in de stand van rechtuitrijden geplaatst;
3°. de banden zijn op de juiste spanning;
4°. indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand.
1°. het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
2°. alle wielen zijn in de stand van rechtuitrijden geplaatst;
3°. de banden zijn op de juiste spanning;
4°. indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand.
2. Bij de bepaling van de maximale onderbreking, als bedoeld in artikel 2.9.28, wordt een extra onderbreking ten gevolge van het uitschuiven van het voertuig buiten beschouwing gelaten.