BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 4.9
Regeling permanente eisen
1. Het bord bedoeld in artikel 4.8 wordt aangebracht in een verticaal vlak loodrecht op de lengte-as van het voertuig, waarbij de afstand van het wegdek tot de onderzijde van het bord niet minder dan 0,35 m, en tot de bovenzijde niet meer dan 1,70 m bedraagt, zoals weergegeven in figuur 9.
2. Het bord wordt aan de voor- en achterzijde van de in de breedte uitstekende lading aangebracht, zodanig dat zoveel mogelijk de grootste breedte wordt aangegeven, zonder dat het bord de breedte vergroot.
3. Het witte en het rode licht, bedoeld in artikel 4.8 worden zodanig aan de voorzijde onderscheidenlijk achterzijde van het voertuig of de lading aangebracht, dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte van de lading aangeven waarbij de afstand tot de lichten gemeten vanaf het breedste punt van de lading naar binnen toe niet meer dan 0,10 m bedraagt.
4. Het witte en het rode licht moeten duidelijk zichtbaar zijn voor het tegemoetkomende respectievelijk achteropkomende verkeer.
2. Het bord wordt aan de voor- en achterzijde van de in de breedte uitstekende lading aangebracht, zodanig dat zoveel mogelijk de grootste breedte wordt aangegeven, zonder dat het bord de breedte vergroot.
3. Het witte en het rode licht, bedoeld in artikel 4.8 worden zodanig aan de voorzijde onderscheidenlijk achterzijde van het voertuig of de lading aangebracht, dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte van de lading aangeven waarbij de afstand tot de lichten gemeten vanaf het breedste punt van de lading naar binnen toe niet meer dan 0,10 m bedraagt.
4. Het witte en het rode licht moeten duidelijk zichtbaar zijn voor het tegemoetkomende respectievelijk achteropkomende verkeer.