BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.11.6
Regeling permanente eisen
1. Indien een oplegger met een toegestane maximum massa van meer dan 6000 kg of met een maximum last onder de koppeling van meer dan 3000 kg is voorzien van een 2 inch koppelingspen en indien een oplegger is voorzien van een 3,5 inch koppelingspen mag binnen een cirkel met een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen:
de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 3,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 36, 37 en 38;
de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen;
in elk kwadrant van de koppelingsplaat, links en rechts achter de koppelingspen, een deuk voorkomen van 5000 mm2 ongeacht de diepte, onverminderd onderdeel f, zoals weergegeven in figuur 39;
in elk kwadrant van de koppelingsplaat, links en rechts voor de koppelingspen, dat is begrensd tot 0,30 m gemeten vanaf de hartlijn van de koppelingspen, een deuk voorkomen van 5000 mm2 ongeacht de diepte, onverminderd onderdeel f, zoals weergegeven in figuur 39;
in het gedeelte aan de voorzijde van de koppelingsplaat, op een afstand van meer dan 0,30 m gemeten vanaf de hartlijn van de koppelingspen, een deuk voorkomen met een diepte van maximaal 7,5 mm, ongeacht de grootte, zoals weergegeven in figuur 39;
in de gedeelten gelegen aan de uiterste linker- en rechterzijde van de koppelingsplaat, met elk een afmeting van 100 mm in breedterichting en 200 mm in lengterichting, geen deuk voorkomen, zoals weergegeven in figuur 39.
2. Het eerste lid geldt niet voor de van fabriekswege aangebrachte gaten zoals ontwateringsgaten.
de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 3,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 36, 37 en 38;
de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen;
in elk kwadrant van de koppelingsplaat, links en rechts achter de koppelingspen, een deuk voorkomen van 5000 mm2 ongeacht de diepte, onverminderd onderdeel f, zoals weergegeven in figuur 39;
in elk kwadrant van de koppelingsplaat, links en rechts voor de koppelingspen, dat is begrensd tot 0,30 m gemeten vanaf de hartlijn van de koppelingspen, een deuk voorkomen van 5000 mm2 ongeacht de diepte, onverminderd onderdeel f, zoals weergegeven in figuur 39;
in het gedeelte aan de voorzijde van de koppelingsplaat, op een afstand van meer dan 0,30 m gemeten vanaf de hartlijn van de koppelingspen, een deuk voorkomen met een diepte van maximaal 7,5 mm, ongeacht de grootte, zoals weergegeven in figuur 39;
in de gedeelten gelegen aan de uiterste linker- en rechterzijde van de koppelingsplaat, met elk een afmeting van 100 mm in breedterichting en 200 mm in lengterichting, geen deuk voorkomen, zoals weergegeven in figuur 39.
2. Het eerste lid geldt niet voor de van fabriekswege aangebrachte gaten zoals ontwateringsgaten.