BWBR0051068
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 2.3.1
Regeling bemanning zeeschepen
1. De minister geeft een monsterboekje af aan degene die bij de aanvraag voldoet aan het tweede lid.
2. Voor de afgifte van een monsterboekje komt uitsluitend in aanmerking, degene die aantoont:
a. een zee-arbeidsovereenkomst of zee-arbeidsovereenkomst in de zeevisserij te zijn aangegaan of zal aangaan, dan wel deelneemt of zal deelnemen aan een maatschapsovereenkomst of vennootschap onder firma in de zeevisserij; of
b. een opleiding te volgen voor een functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs vereist is.
3. Indien wordt aangetoond dat het monsterboekje nodig is ten behoeve van de uitoefening van hun beroep aan boord van een zeeschip, komen tevens de volgende personen voor de afgifte van een monsterboekje in aanmerking:
a. nautisch/technisch surveyor van erkende organisaties;
b. registerloods;
c. gecertificeerde Noordzeeloods;
d. schipper zoute veren als bedoeld in artikel 2.10 van de Binnenvaartregeling;
e. maritiem wetenschappelijk onderzoeker;
f. personeel met dienstverlenende taken aan boord van zeeschepen;
g. nautisch of technisch onderhoudspersoneel;
h. nautisch of technisch ondersteunend personeel;
i. medewerker van nautische of technische inspecties van scheepsbeheerders;
j. detacheringsmedewerker, te werk gesteld via een uitzendbureau of een detacheringsbureau, voor het verrichten van werkzaamheden aan boord van zeeschepen;
k. ambtenaar belast met toezichthoudende of handhavende taken aan boord van zeeschepen;
l. degene die het monsterboekje naar het oordeel van de minister ten behoeve van zijn beroepsuitoefening nodig heeft;
m. andere zeevarenden dan bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onderdeel a, die in het bezit zijn van een geldig Nederlands vaarbevoegdheidsbewijs.
2. Voor de afgifte van een monsterboekje komt uitsluitend in aanmerking, degene die aantoont:
a. een zee-arbeidsovereenkomst of zee-arbeidsovereenkomst in de zeevisserij te zijn aangegaan of zal aangaan, dan wel deelneemt of zal deelnemen aan een maatschapsovereenkomst of vennootschap onder firma in de zeevisserij; of
b. een opleiding te volgen voor een functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs vereist is.
3. Indien wordt aangetoond dat het monsterboekje nodig is ten behoeve van de uitoefening van hun beroep aan boord van een zeeschip, komen tevens de volgende personen voor de afgifte van een monsterboekje in aanmerking:
a. nautisch/technisch surveyor van erkende organisaties;
b. registerloods;
c. gecertificeerde Noordzeeloods;
d. schipper zoute veren als bedoeld in artikel 2.10 van de Binnenvaartregeling;
e. maritiem wetenschappelijk onderzoeker;
f. personeel met dienstverlenende taken aan boord van zeeschepen;
g. nautisch of technisch onderhoudspersoneel;
h. nautisch of technisch ondersteunend personeel;
i. medewerker van nautische of technische inspecties van scheepsbeheerders;
j. detacheringsmedewerker, te werk gesteld via een uitzendbureau of een detacheringsbureau, voor het verrichten van werkzaamheden aan boord van zeeschepen;
k. ambtenaar belast met toezichthoudende of handhavende taken aan boord van zeeschepen;
l. degene die het monsterboekje naar het oordeel van de minister ten behoeve van zijn beroepsuitoefening nodig heeft;
m. andere zeevarenden dan bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onderdeel a, die in het bezit zijn van een geldig Nederlands vaarbevoegdheidsbewijs.