BWBR0051068
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 3.1.2
Regeling bemanning zeeschepen
1. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.2en 3.2.3 van het besluitwordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen van 100 GT of meer niet zijnde vissersvaartuigen, of vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer.
2. Indien diensttijd is opgedaan aan boord van zeeschepen van minder dan 100 GT, niet zijnde vissersvaartuigen of vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, wordt bij vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.2en 3.2.3 van het besluithet vaarbevoegdheidsbewijs beperkt tot zeeschepen van minder dan 3.000 GT.
3. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.4 tot en met 3.2.8 van het besluitwordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen.
4. Aanvullend op het eerste lid kan de diensttijd in aanmerking worden genomen die is opgedaan aan boord van zeeschepen van minder dan 100 GT, indien er geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid en indien ten minste 24 maanden diensttijd kan worden aangetoond.
5. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.4.2 tot en met 3.4.9wordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen.
6. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de machinekamerdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.11 tot en met 3.2.13of 3.4.11 tot en met 3.4.13 van het besluitwordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan als officier in de machinekamerdienst aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW of meer.
7. Indien de diensttijd is opgedaan aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW wordt bij de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de machinekamerdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.11 tot en met 3.2.13 van het besluit, het vaarbevoegdheidsbewijs beperkt tot zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 3.000 kW.
8. Aanvullend op het zesde lid kan de diensttijd in aanmerking worden genomen die is opgedaan aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW, indien er geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid en indien 24 maanden diensttijd kan worden aangetoond.
2. Indien diensttijd is opgedaan aan boord van zeeschepen van minder dan 100 GT, niet zijnde vissersvaartuigen of vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, wordt bij vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.2en 3.2.3 van het besluithet vaarbevoegdheidsbewijs beperkt tot zeeschepen van minder dan 3.000 GT.
3. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.4 tot en met 3.2.8 van het besluitwordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen.
4. Aanvullend op het eerste lid kan de diensttijd in aanmerking worden genomen die is opgedaan aan boord van zeeschepen van minder dan 100 GT, indien er geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid en indien ten minste 24 maanden diensttijd kan worden aangetoond.
5. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.4.2 tot en met 3.4.9wordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen.
6. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de machinekamerdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.11 tot en met 3.2.13of 3.4.11 tot en met 3.4.13 van het besluitwordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan als officier in de machinekamerdienst aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW of meer.
7. Indien de diensttijd is opgedaan aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW wordt bij de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de machinekamerdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.11 tot en met 3.2.13 van het besluit, het vaarbevoegdheidsbewijs beperkt tot zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 3.000 kW.
8. Aanvullend op het zesde lid kan de diensttijd in aanmerking worden genomen die is opgedaan aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW, indien er geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid en indien 24 maanden diensttijd kan worden aangetoond.