BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 3.3.6
Voertuigreglement
1. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
2. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
3. Bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m, met uitzondering van bussen met twee assen die niet langer mogen zijn dan 13,50 m, bussen met meer dan twee assen die niet langer mogen zijn dan 15,00 m en gelede bussen die niet langer mogen zijn dan 18,75 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen, die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
5. Rijdende werktuigen mogen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m.
6. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
7. In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
2. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
3. Bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m, met uitzondering van bussen met twee assen die niet langer mogen zijn dan 13,50 m, bussen met meer dan twee assen die niet langer mogen zijn dan 15,00 m en gelede bussen die niet langer mogen zijn dan 18,75 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen, die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4. Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
5. Rijdende werktuigen mogen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m.
6. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
7. In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.