BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 5.2.71
Voertuigreglement
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2. Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen.
3. Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
2. Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen.
3. Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.