BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 5.6.29
Voertuigreglement
1. Van bromfietsen met twee wielen:
a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd;
b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en
c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen.
2. Van bromfietsen op drie of vier wielen:
a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel;
b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien;
c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast;
d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten;
e. moeten kruiskoppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen;
f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt;
g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen; en
h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen.
3. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het tweede lid, onderdelen c, f en g.
a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd;
b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en
c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen.
2. Van bromfietsen op drie of vier wielen:
a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel;
b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien;
c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast;
d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten;
e. moeten kruiskoppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen;
f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt;
g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen; en
h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen.
3. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het tweede lid, onderdelen c, f en g.