BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 3.7.52
Voertuigreglement
1. De mechanische koppelinrichting van aanhangwagens in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet:
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de aanhangwagen voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken,en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de oplegger is voorzien van een stuurwig, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2. Middenasaanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 1500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling.
3. Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de aanhangwagen voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken,en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de oplegger is voorzien van een stuurwig, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2. Middenasaanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 1500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling.
3. Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.