BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 6.14
Voertuigreglement
1. Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorrijtuig uit een van de categorieën, genoemd in artikel 5.3.15, tweede lid, moet:
a. het motorrijtuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen algemene eisen en de eisen omtrent krachtoverbrenging;
b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op een door Onze Minister bepaalde wijze.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.15, vierde lid.
a. het motorrijtuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen algemene eisen en de eisen omtrent krachtoverbrenging;
b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op een door Onze Minister bepaalde wijze.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.15, vierde lid.