BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 5.8.60
Voertuigreglement
1. De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten.
2. De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3. De mistlichten aan de voorzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht.
4. Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
5. Van de parkeerlichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, dan wel moet er een aan elke kant van het voertuig zijn aangebracht.
6. De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
7. Van de markeringslichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is.
2. De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3. De mistlichten aan de voorzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht.
4. Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
5. Van de parkeerlichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, dan wel moet er een aan elke kant van het voertuig zijn aangebracht.
6. De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
7. Van de markeringslichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is.