BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 5.17.54
Voertuigreglement
1. De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht:
a. niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2. Indien één niet-driehoekige retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht:
a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
3. De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
a. niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2. Indien één niet-driehoekige retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht:
a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
3. De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.