BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 3.7.37
Voertuigreglement
1. Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4. Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
5. Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
6. Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft, en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
7. Op aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEGvoor aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 10 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
8. Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid moeten middenasaanhangwagens voor de voorste as zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
9. Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10. De in het zesde, zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor aanhangwagens die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
11. De wielen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4. Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
5. Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
6. Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft, en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
7. Op aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEGvoor aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 10 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
8. Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid moeten middenasaanhangwagens voor de voorste as zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
9. Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10. De in het zesde, zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor aanhangwagens die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
11. De wielen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.