BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 3.5.36
Voertuigreglement
1. Driewielige motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 76/115/EEG.
3. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
4. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het derde lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
5. De aanwezigheid van de in het derde en vierde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
6. Driewielige motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
7. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 77/541/EEGvoor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
8. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en het vierde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 76/115/EEG.
3. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
4. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het derde lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
5. De aanwezigheid van de in het derde en vierde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
6. Driewielige motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
7. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 77/541/EEGvoor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
8. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en het vierde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.