BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 5.10.9
Voertuigreglement
1. Alle onderdelen van het brandstofsysteem dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2. Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3. De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
4. Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand.
5. Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een:
a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor;
b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare:
c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen;
d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.
2. Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3. De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
4. Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand.
5. Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een:
a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor;
b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare:
c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen;
d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.